BEL
0318 - 631 670

Home - Poll overzicht

Poll overzicht

Singles met een stalen afscherming mag je volgens NEN 1010:2015 niet toepassen in installaties met een spanning van 400/230 Vac.

Fabel
60% (85 stemmen)
Feit
40% (57 stemmen)
Totaal aantal stemmen: 142

ANTWOORD: 

Het juiste antwoord op de stelling is: feit.
 

Onderbouwing van het antwoord

Dat antwoord is te ontlenen aan bepaling 521.5.2 van NEN 1010. In bepaling 521.5.2 staat namelijk het volgende: “Eenaderige kabels gearmeerd met staaldraad of staalband mogen niet worden gebruikt voor AC-stroomketens.”

NEN 1010 is hier dus heel duidelijk. Singles met een stalen afscherming is simpelweg niet toegestaan in AC-stroomketens.

Ook de opmerking onder de bepaling onderstreept dit nog eens. Die luidt namelijk: “De armering van staaldraad of staalband van een eenaderige kabel wordt beschouwd als een ferromagnetisch omhulsel. Voor eenaderige gearmeerde kabels is het gebruik van aluminium armering aanbevolen.”

Het is op grond van NEN 1010:2015 niet meer toegelaten om in een driefasegroep (met N en PE) de nul in een gereduceerde kerndoorsnede uit te voeren.

Fabel
51% (172 stemmen)
Feit
49% (166 stemmen)
Totaal aantal stemmen: 338

ANTWOORD: 

Het juiste antwoord op de stelling is: fabel.
 

Onderbouwing van het antwoord

Dat antwoord is te ontlenen aan rubriek 524.2 van NEN 1010.

In deze rubriek vind je eisen voor de kerndoorsnede van de nulleiding. In de Feit of Fabel werd gesteld dat het niet meer is toegelaten om de nul te reduceren in een driefasegroep. Dit is echter nog steeds toegestaan maar, net als eerder, onder bepaalde omstandigheden.

Die omstandigheden vind je in bepaling 524.2.3 waarin staat:

524.2.3   In meerfaseketens waarin elke fase een kerndoorsnede heeft van meer dan 16 mm²  bij koper of 25 mm²  bij aluminium, mag de kerndoorsnede van de nulleiding kleiner zijn dan die van de fasen, mits gelijktijdig aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: 

  • de bij normaal gebruik te verwachten belasting van de stroomketen is nagenoeg gelijk over de faseleidingen verdeeld en de derde harmonische en oneven veelvouden van derde harmonische stromen zijn lager dan 15 % van de fasestroom, 

OPMERKING  Meestal bedraagt de gereduceerde kerndoorsnede van de nulleiding niet minder dan 50 % van de kerndoorsnede van de faseleidingen.

  • de nulleiding is beveiligd tegen overstroom overeenkomstig het bepaalde in 431.2 en 
  • de kerndoorsnede van de nulleiding is ten minste 16 mm 2  bij koper of 25 mm 2  bij aluminium.

Kortom: onder deze voorwaarden mag (nog steeds) een nul met een gereduceerde kerndoorsnede worden toegepast. De stelling is daarom een fabel.

Van een kabel die een contactdoos (230 Vac) voedt, is op grond van NEN 1010:2015, de minimale kerndoorsnede 1,5 mm².

Feit
59% (231 stemmen)
Fabel
41% (159 stemmen)
Totaal aantal stemmen: 390

ANTWOORD: 

Het juiste antwoord op de stelling is: feit.
 

Onderbouwing van het antwoord
Dat antwoord is te ontlenen aan bepaling 524.1 van NEN 1010. Hierin staat tabel 52.2. Deze tabel is hierna overgenomen:

De minimale kerndoorsnede ontlenen we aan de eis die geldt voor vaste installaties > kabels en geïsoleerde geleiders > vermogensketens > koper. Daar blijkt een waarde van ten minste 1,5 mm² bij te horen.

Gezien deze uitleg is het verbazingwekkend dat ruim 40% van de deelnemers het verkeerde antwoord hebben gegeven. Dat komt wellicht door de Nederlandse opmerking onder de tabel die mogelijk voor wat verwarring zorgt. Hier staat:                                

n    Om overbelasting te voorkomen moet voor de voeding van contactdozen voor algemeen gebruik in tot bewoning bestemde gebouwen, woonschepen, logiesverblijven en keukens bij toepassing van installatiedraad in buis, aangebracht volgens basisinstallatiemethode A1 of B1 volgens tabel 52.A.3 installatiedraad worden toegepast met een kerndoorsnede van ten minste 2,5 mm2.

Dit stukje tekst gaat echter niet over contactdozen die worden gevoed met kabel maar met draad in buis. Bovendien is dit deel van de bepaling alleen van toepassing op tot bewoning bestemde gebouwen.

Op grond van bepaling 542.3.1 hoeft een vertind koperen aardleiding in de grond niet te voldoen aan tabel 54.1.

Fabel
55% (66 stemmen)
Feit
45% (53 stemmen)
Totaal aantal stemmen: 119

ANTWOORD: 

Het juiste antwoord op de stelling is: fabel.

 

Onderbouwing van het antwoord
Het is de bedoeling van de normschrijver om leidingen te beschermen tegen de mechanische krachten die in de grond op kunnen treden. Maar de formulering in bepaling 542.3.1 lokt, uiteraard onbedoeld, een ander antwoord uit.

Toelichting

In bepaling 542.3.1 staat het volgende:

“(…) Wanneer een blanke aardleiding in de grond wordt gelegd moeten de afmetingen en eigenschappen overeenkomstig tabel 54.1 zijn.”
Het probleem zit hem in de interpretatie van ‘blanke geleider’. In de markt wordt dit doorgaans geïnterpreteerd als ‘niet vertind’ terwijl de normschrijver hier bedoelt: ‘niet geïsoleerd’ of nog beter ‘niet beschermd tegen mechanische invloeden’.
Waar het om gaat is dat een leiding in de grond niet kapot mag gaan door de krachten in de grond. En om die krachten te kunnen weerstaan heeft NEN 1010 een tabel opgenomen met minimale afmetingen. Dat is tabel 54.1.
Uitgaande van het beoogde doel van de normschrijver, kunnen we niet anders dan concluderen dat het voor een vertind koperen geleider de bedoeling is om tabel 54.1 toe te passen als de geleider in de grond is gelegd.

Het juiste antwoord is daarom: fabel.

Een blauwe ader in een kabel mag je soms gebruiken als fasedraad voor vermogensketens.

Feit
53% (169 stemmen)
Fabel
47% (151 stemmen)
Totaal aantal stemmen: 320

ANTWOORD: 

Het juiste antwoord op de stelling is: feit.

 

Onderbouwing van het antwoord
Het juiste antwoord is feit. Dat antwoord is te ontlenen aan bepaling 514.3.7 van NEN 1010.

Toelichting

Het juiste antwoord is feit. Dat antwoord is te ontlenen aan bepaling 514.3.7 van NEN 1010. In deze bepaling staat, enigszins vereenvoudigd geformuleerd, dat je onder bepaalde voorwaarden een blauwe ader als faseleiding mag gebruiken. Die voorwaarde zijn:

1. er mag geen verwarring ontstaan;

2. er mag geen nul in de kabel zitten.

De tweede voorwaarde is volgens ons duidelijk genoeg, maar de eerste zullen we kort toelichten.

De eerste voorwaarde heeft tot doel om de functie van kleurcodering te behouden. Als je bijvoorbeeld meerdere kabels invoert in een lasdoos, dan verkleint de kleurcodering de kans op foute lassen. Als je van één kabel de blauwe draad als fase moet beschouwen terwijl van een andere kabel de blauwe de nul is, is een vergissing snel gemaakt. Bij een kabel tussen twee verdeelinrichtingen kan de kans op zo’n verwarring bijvoorbeeld erg klein zijn. Daarom staat NEN 1010 het gebruik van een blauwe ader als fase- of schakelader toe zolang er geen verwarring mogelijk is.

De score is opmerkelijk omdat relatief weinig deelnemers het juiste antwoord hebben gegeven terwijl de hiervoor aangehaalde bepaling niet ingewikkeld geformuleerd is. Een mogelijke reden voor de relatief lage score is dat er nog een andere bepaling in NEN 1010 staat die wat roet in het eten gooit.

Dat is bepaling 514.3.1.1 die stelt dat de nulleiding over de gehele lengte blauw moet zijn. Deze regel is van toepassing op blauwe aders die als nul worden gebruikt. En in de feit of fabel is daar geen sprake van.

Het juiste antwoord is dus feit omdat onder bepaalde voorwaarden (dus ‘soms’) de blauwe ader in een kabel gebruikt mag worden als fase.

Een aardfout op een contactdoos van 63 A (400/230Vac) in een TN-stelsel moet volgens NEN 1010 binnen 0,4 s worden afgeschakeld.

Feit
58% (156 stemmen)
Fabel
42% (112 stemmen)
Totaal aantal stemmen: 268

ANTWOORD: 

Het juiste antwoord op de stelling is: feit.

 

Onderbouwing van het antwoord
Dat antwoord is te ontlenen aan tabel 41.1 in combinatie met bepaling 411.3.2.2 van NEN 1010.

Toelichting

Uit de bepaling moet worden afgeleid dat eindgroepen met contactdozen moeten voldoen aan de uitschakeltijden zoals te vinden zijn in tabel 41.1. De grenswaarde van 32 A speelt hierbij geen rol. Die grenswaarde is alleen bedoeld voor eindgroepen zonder contactdozen.

Vervolgens moet in tabel 41.1 eerst worden gekeken naar wat NEN 1010 verstaat onder U0. Deze uitleg staat in de tabel zelf. U0 blijkt de spanning tussen fase en aarde te zijn. In het voorbeeld is die spanning 230 V.

Daarna lees je in de juiste kolom de maximale uitschakeltijd van 0,4 s af.

De stelling gaat ook uit van 0,4 s zodat we de conclusie trekken dat de stelling een feit is.

NEN 1010 laat contactdozen toe in een eenfase 16A-eindgroep met 1.500 VA aan verlichting.

Feit
68% (154 stemmen)
Fabel
32% (72 stemmen)
Totaal aantal stemmen: 226

ANTWOORD: 

Het juiste antwoord op de stelling is: feit.

 

Onderbouwing van het antwoord
In NEN 1010:2015 is geen beperking gegeven voor het toepassen van contactdozen in een éénfase 16A-eindgroep met 1.500 VA aan verlichting.

Toelichting
De stelling geeft wat verwarring doordat dit in de vorige editie van NEN 1010, de NEN 1010:2007, wel geregeld was. Er was namelijk een bepaling opgenomen die een eis stelde aan het totale schijnbare vermogen van de verlichting in bepaalde gevallen.

Bepaling 510.5 uit NEN 1010:2007 stelde het volgende:

Van een éénfase-eindgroep van maximaal 16 A, voor het voeden van een combinatie van verlichtingstoestellen en wandcontactdozen, mag het totale schijnbare vermogen van de verlichtingstoestellen op die eindgroep niet meer zijn dan 1.200 VA.

Deze bepaling is in NEN 1010:2015 komen te vervallen en komt ook niet terug in een andere vorm. Je mag nu zelf bepalen hoe de vermogensverdeling over verlichting en contactdozen is in gecombineerde groepen van maximaal 16 A.

NEN 1010 eist een werkschakelaar bij PV-installaties om schok te voorkomen bij werkzaamheden aan de omvormer.

Feit
59% (139 stemmen)
Fabel
41% (95 stemmen)
Totaal aantal stemmen: 234

ANTWOORD: 

Het juiste antwoord op de stelling is: fabel.

 

Onderbouwing van het antwoord

Werkschakelaars zijn bedoeld voor het afschakelen bij werkzaamheden voor niet-elektrische onderhoud. Ze zijn bijvoorbeeld bedoeld om gevaren van mechanische oorsprong weg te nemen.

Toelichting

In de praktijk worden 536.2: Scheiden en 536.3: Uitschakelen ten behoeve van niet-elektrotechnische werkzaamheden nogal eens met elkaar verward. Voor een goed begrip is het zaak om twee dingen uit elkaar te houden:

  1. afschakelen om een schok te voorkomen noemen we ‘scheiden’ en doe je met een scheider of een hoofd- of groepsschakelaar.
  2. afschakelen om verwondingen door mechanische bewegingen te voorkomen doe je met een werkschakelaar.

In de praktijk worden deze twee vaak door elkaar gehaald en daarom wordt ook vaak gedacht dat je bij PV-panelen een werkschakelaar toe moet passen om een schok te voorkomen.

Als er kans is op schok, moet je een scheider toepassen. Daar kan de groepsschakelaar of de installatieautomaat prima dienst voor doen. Een werkschakelaar is dan niet nodig omdat er bij PV-installaties geen risico is op letsel als gevolg van mechanische beweging.

NEN 1010 eist toepassing van vlamboogdetectie voor eindgroepen in houten gebouwen.

Fabel
76% (210 stemmen)
Feit
24% (68 stemmen)
Totaal aantal stemmen: 278

ANTWOORD: 

Het juiste antwoord op de stelling is: fabel.

 

Onderbouwing van het antwoord

In rubriek 421 van NEN 1010 staat dat het wordt aanbevolen om vlamboogdetectie toe te passen voor eindgroepen in houten gebouwen. Het is dus een aanbeveling en geen eis. 

Toelichting

Het gaat in de stelling over het toepassen van vlamboogdetectie. Dit vind je terug in bepaling 421.7 van NEN 1010. Hier staat dat het wordt aanbevolen om bijzondere maatregelen te nemen om te bescherming tegen de effecten van vlambogen in eindgroepen in een aantal specifieke situaties. Afgezien van enige nuance vertalen we deze bijzondere maatregelen met een toestel voor vlamboogdetectie.

Deze aanbeveling geldt voor de in de bepaling opgesomde gevallen. Eén daarvan is  op plaatsen waar brandbare materialen zijn gebruikt voor de constructie, bijvoorbeeld een houten gebouw. Een houten gebouw heeft namelijk een hoger risico bij vlambogen. Daarom wordt er extra bescherming tegen vlambogen aanbevolen door middel van vlamboogdetectie.

Wat opvalt is dat het om een aanbeveling gaat. Er is dus niet zonder meer een verplichting om deze bepaling na te leven. De bedoeling van deze bepaling is dan ook om die aanbeveling, als het ware, door te geven aan de eigenaar van de elektrische installatie. Hierdoor wordt hij gewezen op het hogere risico van de effecten van vlambogen en kan hij een keuze maken om vlamboogdetectie toe te laten passen.

NEN 1010 houdt bij beveiliging tegen overstroom geen rekening met een kortsluiting tussen twee fasen van verschillende groepen.

Feit
59% (160 stemmen)
Fabel
41% (112 stemmen)
Totaal aantal stemmen: 272

ANTWOORD: 

Het juiste antwoord op de stelling is: feit.

 

Onderbouwing van het antwoord

Het juiste antwoord is dus feit. In 434 van NEN 1010 staat dat er in NEN 1010 alleen maar rekening wordt gehouden met een kortsluiting tussen geleiders van dezelfde stroomketen (groep). 

Toelichting

Eén van de doelen van NEN 1010 is om het elektrisch materieel te beschermen tegen de gevolgen van een overstroom. Onder overstroom wordt verstaan overbelastingsstroom en kortsluitstroom. De stelling gaat over kortsluitstroom.

Een kortsluiting kan ontstaan tussen actieve geleiders onderling en actieve geleiders en beschermingsleidingen. NEN 1010 gaat er daarbij vanuit dat die kortsluiting uitsluitend op kan treden binnen geleiders van dezelfde groep.

Met een beetje fantasie zijn er veel meer kortsluitingen te bedenken. Zo zou je kunnen bedenken dat een kortsluiting kan optreden tussen de fase van de ene groep en de nul van een andere groep. Als NEN 1010 alle mogelijkheden zou moeten afdekken, zou de norm niet meer te begrijpen zijn. Je moet dus een keer een grens stellen.

NEN 1010 heeft die grens heel duidelijk gesteld in 434. Daar staat zonder enige onduidelijkheid, dat er in NEN 1010 alleen maar rekening wordt gehouden met een kortsluiting tussen geleiders van dezelfde stroomketen.

Pagina's