Coronaprotocol

Elektroraad is gestart met de cursus 'Toepassing van batterijsystemen bij netcongestie'. Klik hier voor meer informatie.

BEL
0318 - 631 670

Home - Poll overzicht

Poll overzicht

De isolatie van een nulleiding in een vieraderige sterkstroomkabel moet volgens NEN 1010:2015 ALTIJD blauw zijn.

Feit
63% (198 stemmen)
Fabel
37% (116 stemmen)
Totaal aantal stemmen: 314

ANTWOORD: 

Ja, dat is het geval. Er zijn wel uitzonderingen maar die zijn niet van toepassing op de stelling.

Het juiste antwoord op de stelling is dus: feit.

 

Onderbouwing van het antwoord

In rubriek 514 van NEN 1010:2015 staan enkele bepalingen over de aanduiding van geleiders. In bepaling 514.3.1.1 staat kernachtig verwoord welke eisen er aan de nul worden gesteld. Er staat: “Nulleidingen (..) moeten over de gehele lengte worden aangeduid met de kleur blauw”. Dit is de hoofdregel.

Toch blijken er uitzonderingen te bestaan. Sommige eenaderige kabels zijn niet in blauw leverbaar. Ook multikabels hebben veelal geen blauwe ader. Als de kabel dus minder dan twee of meer dan vijf aders heeft, moet soms van de hoofdregel  worden afgeweken. Er bestaan zelfs gevallen waarin de aanduiding in het geheel weggelaten mag worden (zie bepaling 514.3.8 van NEN 1010:2015).

De hoofdregel is echter ALTIJD van toepassing op kabels met twee tot en met vijf aders. Dat is te vinden in bepaling 514.3.4 van NEN 1010:2015 in combinatie met de daarin genoemde bijlage 51.C.

In aanmerking genomen dat de stelling uitging van een vieraderige sterkstroomkabel is er geen reden om af te wijken van de hoofdregel. De nul moet in dit geval dus altijd blauw zijn.

Volgens NEN 1010:2015 hoeft een verlichtingsarmatuur van 6 kg in een bioscoopzaal, niet te zijn bevestigd met ten minste twee onafhankelijke ophangsystemen.

Fabel
57% (72 stemmen)
Feit
43% (54 stemmen)
Totaal aantal stemmen: 126

ANTWOORD: 

De eis van dubbele ophanging geldt niet voor verlichtingsarmaturen.

Het juiste antwoord op de stelling isfeit. 

Onderbouwing van het antwoord

Bepaling 718.512.3 van NEN 1010:2015 stelt dat vast aangesloten opgehangen materieel met een gewicht van meer dan 5 kg moet zijn bevestigd met een aanvullende onafhankelijk ophangsysteem.

Hoofdstuk 718 geldt in de nieuwe norm voor ruimten met een publieke functie en bedrijfsgebouwen. Een bioscoopzaal valt daaronder. Op grond hiervan zou de stelling een fabel zijn. In de stelling staat immers dat verlichtingsarmaturen NIET dubbel hoeven te worden bevestigd.

In de hiervoor genoemde bepaling staat echter ook: “Deze eisen zijn niet van toepassing op verlichtingsarmaturen, hierop is 718.559 van toepassing. Die verwijzing is fout want dat had 559.5.2 moeten zijn.

De dubbele ophanging geldt dus voor materieel met uitzondering van verlichtingstoestellen. Daarom is de stelling een feit.

Toepassing van NEN 8012 is verplicht op grond van NEN 1010.

Feit
61% (41 stemmen)
Fabel
39% (26 stemmen)
Totaal aantal stemmen: 67

ANTWOORD: 

Nee, dat is niet het geval. Wel is het zo dat NEN 1010 naar NEN 8012 verwijst, maar de manier waarop dat gebeurt, kan niet worden beschouwd als een verplichting tot toepassing van NEN 8012.

Het juiste antwoord op de stelling isfabel. 
 

Onderbouwing van het antwoord

In NEN 1010 staan bepalingen en opmerkingen (voorheen toelichtingen genoemd). Uiteraard hebben opmerkingen een andere functie dan bepalingen, want anders zou het onderscheid geen doel hebben. Kort door de bocht zou je kunnen zeggen dat eisen worden opgenomen in bepalingen en adviezen of toelichtingen in opmerkingen. De verwijzing naar NEN 8012 staan in opmerkingen en daarvoor geldt dus  het ‘toelichtende’ principe.

Bovendien is NEN 8012 te vinden is in de lijst met informatieve verwijzingen van NEN 1010 en niet in de lijst met normatieve verwijzingen. Hieruit blijkt dus een zekere vrijblijvendheid.
Hiermee bedoelen we overigens niet te beweren dat de toepassing van alle normen die wél in de lijst met normatieve verwijzingen staan, wettelijk verplicht is.

Het feit dat NEN 1010 de toepassing van NEN 8012 niet afdwingt, wil niet zeggen dat NEN 8012 nooit verplicht is. Naar verwachting zal de norm binnenkort in het Bouwbesluit verplicht worden gesteld. Bovendien kan naleving van de norm privaatrechtelijk (bijvoorbeeld in een overeenkomst) worden afgedwongen.

Volgens hoofdstuk 43 van NEN 1010 is een kortsluitstroom een bijzondere vorm van een overbelastingsstroom.

Fabel
53% (35 stemmen)
Feit
47% (31 stemmen)
Totaal aantal stemmen: 66

ANTWOORD: 

Het juiste antwoord op de stelling isfabel. De twee termen zijn nevenschikkend en hebben geen overlap.
 

Onderbouwing van het antwoord
De termen overbelastingsstroom en kortsluitstroom zijn onderdelen van wat in hoofdstuk 43 ‘overstroom’ wordt genoemd. Een overstroom is gewoon ‘een te hoge stroom’. En met ‘te hoog’ bedoelen we dan: ‘niet verantwoord voor de toegepaste leiding’.

Een kortsluitstroom is een overstroom die wordt veroorzaakt door een fout in de elektrische installatie (zoals een beschadiging van de leiding). Bij een overbelastingsstroom is dat niet zo. Die ontstaat bijvoorbeeld doordat er te veel belasting op de groep is geschakeld.

De twee termen hebben dus geen overlap en daarom kan een kortsluitstroom niet een bijzondere vorm van overbelasting zijn. De stelling is dus een fabel.

De maximale uitschakeltijd volgens tabel 41.1 van NEN 1010:2015 is dan 0,2 seconde.

Gegeven: driefasegroep 400/230 Vac (TN-stelsel) met contactdoos. Op deze groep ontstaat een aardfout.

Fabel
64% (75 stemmen)
Feit
36% (42 stemmen)
Totaal aantal stemmen: 117

ANTWOORD: 

Het juiste antwoord op de stelling isfabel.
 

Onderbouwing van het antwoord
Gegeven is dat de spanning tussen fase en aarde 230 V is. En voor een TN-stelsel geldt dan bij wisselspanning een maximale uitschakeltijd van 0,4 s.

De tabel waaruit het antwoord moet komen, is hierna overgenomen:

De opgave gaat uit van een driefasegroep 400/230 Vac (TN-stelsel) met contactdoos. Voor aflezing van de tabel is het nodig om de spanning tussen fase en aarde te weten (zie de uitleg in de tabel). Die spanning is in ons voorbeeld 230 Vac.  We moeten voor de maximale uitschakeltijd dus kijken in de rode rechthoek.

Aangezien het voorbeeld uitgaat van een TN-stelsel is de gezochte uitschakeltijd 0,4 s. De stelling is daarom een fabel. 

Op NEN 1010:2015 is een correctieblad verschenen. In dat blad staat een gecorrigeerde figuur 53.B.1. Deze figuur is nu wel in overeenstemming met rubriek 534.

Fabel
74% (26 stemmen)
Feit
26% (9 stemmen)
Totaal aantal stemmen: 35

figuur 53.B.1.

ANTWOORD: 

Het juiste antwoord op de stelling isfabel.
 

Onderbouwing van het antwoord
In het correctieblad C1:2016 zijn enkele kleine fouten uit NEN 1010:2015 gecorrigeerd. Het gaat daarbij om taalcorrecties.

Maar de – niet gecorrigeerde - fout in de figuur is dat hij niet in overeenstemming is met tabel 53.1 (zie bepaling 534.2.2). In die tabel staat dat in een TT-stelsel na een aardlekschakelaar (aansluittype B) overspanningsbeveiliging tussen nul en PE vereist is. En in de figuur is alleen overspanningsbeveiliging tussen fasen en PE getekend.

De figuur uit het correctieblad C1:2016 bevat dus nog steeds een fout. 

Wat we in de markt wandgoot noemen, wordt in NEN 1010 kabelgoot genoemd.

Feit
85% (84 stemmen)
Fabel
15% (15 stemmen)
Totaal aantal stemmen: 99

ANTWOORD: 

Volgens Elektroraad is het juiste antwoord: feit.
 

Onderbouwing van het antwoord
In bepaling 2.15.08 staat wat moet worden verstaan onder een kabelbaan. Dat is een ononderbroken kabelondersteuning met opstaande randen, maar zonder deksel.

In bepaling 2.15.04 van NEN 1010 staat dat onder de term ‘kabelgootsysteem’ moet worden verstaan: een systeem van gesloten omhulsels bestaande uit een basisdeel en een verwijderbaar deksel, bestemd om installatiedraad en kabels volledig af te schermen en/of om ander elektrisch materieel met inbegrip van materieel voor elektronische communicatie in onder te brengen.

Verwarrend is natuurlijk dat het verschil vooral lijkt te bestaan uit de aanwezigheid van een deksel. En omdat er kabelgoot bestaat met deksel, moeten we constateren dat deze definities niet deugen.

Daarom moet je goed letten op het deel van 2.15.04 waarin staat: ‘bestemd om installatiedraad (..) volledig af te schermen’. Dat geldt wel voor wandgoot maar niet voor wat wij in de markt kabelgoot noemen.

Het is overigens vreemd dat de normschrijver deze termen anders definieert dan de fabrikanten van kabeldraagsystemen. Dat zorgt voor veel onnodige verwarring. Als je bijvoorbeeld zou willen weten of je een kabelgoot (NEN 1010: kabelbaan) moet vereffenen gaan technici bijna automatisch zoeken onder ‘kabelgoot’. Het antwoord wat ze vinden slaat echter – zonder dat het argwaan wekt – op iets heel anders. En omdat er ook op het onderdeel aarden en vereffenen veel verwarring bestaat in de markt, zal dit leiden tot allerlei bizarre uitspraken over wat er nu wel en niet moet.

Volgens NEN 1010:2015 (bijlage 52.F) mag de traditionele ‘gele’ installatiebuis niet meer in beton gegoten worden.

Fabel
74% (77 stemmen)
Feit
26% (27 stemmen)
Totaal aantal stemmen: 104

ANTWOORD: 

Volgens Elektroraad is het juiste antwoord: feit.

Onderbouwing van het antwoord
In NEN 1010:2015 is een nieuwe bijlage opgenomen: bijlage 52.F. In die bijlage staat een tabel met voorgestelde eigenschappen van buizen (zie onderstaand fragment).


De tabel brengt een code die op de buis staat, in verband met een bepaalde toepassing van die buis.

De code op de buis
De code wordt op de buis aangebracht door de fabrikant. Hij ontleent die codering aan een norm (NEN-EN-IEC 61386). De code wordt gevormd door vier cijfers die elk afzonderlijk iets zeggen over een specifieke eigenschap van de buis.

Op een gewone gele buis staat code 3231 (zie foto)

Het tweede cijfer in die code staat voor de weerstand tegen stoten. De weerstand tegen stoten wordt volgens NEN-EN-IEC 61386 bepaald door een gewicht vanaf een bepaalde hoogte op de buis te laten vallen.
Bij klasse 2 hoort een gewicht van 1 kg dat vanaf een hoogte van 10 cm op de buis valt.
Bij klasse 3 hoort een gewicht van 2 kg dat vanaf een hoogte van 10 cm op de buis valt.

Toepassing van de buis
De tabel uit bijlage 52.F koppelt de hiervoor genoemde eigenschap van de buis aan bepaalde toepassingen. De normschrijver adviseert om voor betonstortwerk buis met code 3321 toe te passen. Het tweede cijfer (de stootbelasting) is dus een 3. En aangezien een gewone buis ‘slechts’ een stootbelastingsklasse heeft van 2, acht de normschrijver toepassing van deze buis ongeschikt om in beton te storten. De normschrijver stelt dan ook voor om een sterker buistype te gebruiken.

 

Pagina's