Elektroraad is gestart met de cursus 'Toepassing van batterijsystemen bij netcongestie'. Klik hier voor meer informatie.
Het juiste antwoord op de stelling is: fabel.
NEN 1010:2015 eist dit alleen voor beschermingsleidingen in ‘normale’ eind- en distributiegroepen.
Onderbouwing van het antwoord
Volgens de stelling eist NEN 1010 een beproeving op het ononderbroken zijn van beschermings-, fase- en nulleidingen in gewone groepen bij een inspectie van een nieuwe installatie. In het inspectiedeel (deel 6) van NEN 1010 vinden we of dit een feit of fabel is.
NEN 1010 heeft deel 6 in twee hoofdstukken opgedeeld. Hoofdstuk 61 (Eerste inspectie) en hoofdstuk 62 (Periodieke inspectie). In de stelling gaat het om een inspectie van een nieuwe installatie, dat noemt NEN 1010 een ‘eerste inspectie’ (hoofdstuk 61 dus).
In hoofdstuk 61 bij bepaling 61.3.2 vinden we vervolgens wat NEN 1010 eist aan beproeving op het ononderbroken zijn van geleiders:
Een beproeving op het ononderbroken zijn van geleiders moet worden uitgevoerd op:
In ‘gewone’ eind- en distributiegroepen (en dus geen ringeindgroepen) moet een beproeving worden uitgevoerd op beschermingsleidingen en niet op actieve geleiders, zoals fase- en nulleidingen.
Let wel op dat NEN 1010 hier onder beschermingsleidingen ook beschermende en aanvullende beschermende vereffeningsleidingen verstaat. Die moeten dus ook beproefd worden op het ononderbroken zijn daarvan.
Onderbouwing van het antwoord
Om erachter te komen of NEN 1010 nu wel of niet van toepassing is op schrikdraadinstallaties, is redelijk eenvoudig. NEN 1010 omschrijft dit namelijk in het toepassingsgebied. Met andere woorden, er wordt benoemd waar NEN 1010 op van toepassing is en waar niet. In bepaling 11.3 staat dat NEN 1010 niet van toepassing is op elektrische schrikdraadinstallaties.
Het is vervolgens wel van belang om te weten wat er onder een schrikdraadinstallatie wordt verstaan. Waar begint en eindigt de schrikdraadinstallatie?
Een schrikdraadinstallatie bestaat uit een samenstel van elektrisch materieel, leidingen en bijbehoren van leidingen aangesloten op een spanninggever. Een spanninggever is een toestel dat is bestemd voor het periodiek afgeven van elektrische pulsen aan een daarop aangesloten schrikdraadinstallatie. Dit geheel vormt de schrikdraadinstallatie. En hierop is NEN 1010 dus niet van toepassing. De groep waarop de spanninggever is aangesloten moet dan wel weer voldoen aan NEN 1010.
De schrikdraadinstallatie moet overigens wel voldoen aan een ‘eigen’ norm. Dit is NEN 5237. Wil je dus weten waar de schrikdraadinstallatie aan moet voldoen, dan moet je die norm hanteren.
Onderbouwing van het antwoord
NEN 1010:2015 schrijft een aantal beschermingsmaatregelen voor. Die vind je in deel vier van de norm. In dit deel, dat bestaat uit meerdere hoofdstukken, vinden we een hoofdstuk dat gaat over de beschermingsmaatregelen tegen schok. Hoofdstuk 41 om precies te zijn.
De beschermingsmaatregelen tegen schok worden vervolgens opgedeeld in twee verschillende vormen. Basisbescherming en foutbescherming. Voor de beschermingsmaatregel ‘automatische uitschakeling van de voeding’ is dit als volgt verwoord:
Automatische uitschakeling van de voeding is een beschermingsmaatregel waarbij:
(…).
Zoals je bij het tweede aandachtsstreepje kan lezen is beschermende vereffening dus onderdeel van foutbescherming en niet van basisbescherming.
Onderbouwing van het antwoord
In een ruimte met bad of douche eist NEN 1010:2015 aanvullende beschermingsmaatregelen tegen schok. In bepaling 701.415.2 lezen we dat bereikbare vreemd geleidende delen binnen een ruimte die een badkuip en/of douche bevat aanvullend moeten worden vereffend.
Ook de badkamervloer kan een vreemd geleidend deel zijn. Dat is bijvoorbeeld zo als een betonvloer geleidend is geworden door de betonwapening. De vloer moet dan opgenomen worden in de aanvullende beschermende vereffening.
Om dit te bereiken kunnen we verschillende middelen gebruiken. Eén van deze middelen kan een aardmat zijn. Deze uitvoering schrijft NEN 1010 niet verplicht voor. Je zou er bijvoorbeeld ook voor kunnen kiezen om het wapeningsstaal te gebruiken om de vereffening tot stand te brengen.
Het aanvullend vereffenen van (de bereikbare vreemd geleidende delen in) de vloer is dus een eis. Maar het is geen eis om dat met een aardmat te doen. Daar ging de stelling wel vanuit. De stelling is daarom een fabel.
Onderbouwing van het antwoord
De onderbouwing voor dit antwoord vinden we in een apart hoofdstuk van NEN 1010:2015, namelijk 722. Dit is het hoofdstuk dat gaat over ‘laadinrichtingen voor elektrische voertuigen’. Een laadpaal zoals in de stelling bedoeld valt onder zo’n laadinrichting.
Daarnaast is het belangrijk om te weten wat NEN 1010 precies verstaat onder ‘aansluitpunt’. Dat vinden we in de definitie die wordt gegeven. Deze luidt: ‘punt waar één elektrisch voertuig wordt aangesloten op de vast aangelegde installatie’. Elke contactdoos afzonderlijk op een laadpaal is volgens NEN 1010 dus één aansluitpunt.
Dan is bepaling 722.533.4 doorslaggevend voor het antwoord. Hierin vinden we dat elk aansluitpunt (dus elke afzonderlijke contactdoos in een laadpaal) moet worden gevoed door een eigen eindgroep, die wordt beschermd door een beveiligingstoestel tegen overstroom.
Onderbouwing van het antwoord
Beschermende vereffeningsleidingen kent NEN 1010:2015 in twee soorten:
Over de beschermende vereffeningsleiding is NEN 1010 heel duidelijk. Deze sluit je aan op de hoofdaardrail (of –klem). Dit is onder andere terug te vinden in bepaling 411.3.1.2. Daar lezen we ‘In elk gebouw moeten de aardleiding, de hoofdaardrail of -klem en de volgende geleidende delen met de beschermende vereffening zijn verbonden: (…)’.
Maar over de aanvullende beschermende vereffeningsleiding is NEN 1010 een stuk minder duidelijk. Dat wil zeggen: NEN 1010 zegt ons niet dat we al die leidingen op één rail moeten aansluiten. In de praktijk doen we dat wel. We verbinden de aanvullende beschermende vereffeningsleiding met een CAP (centraal aardpunt) in de ruimte waar aanvullende beschermende vereffening is vereist.
Onderbouwing van het antwoord
In bepaling 411.4.4 van NEN 1010:2015 staat dat de kenmerken van de beveiligingstoestellen en de circuitimpedanties moeten voldoen aan een eis. Die eis luidt: Zs x Ia ≤ U0
De vergelijking oogt op het eerste gezicht wat ingewikkeld. Zouden we de vergelijking wat anders opschrijven dan zien we daarin een bekende van ons, namelijk (min of meer) de wet van Ohm.
U0 ≥ Ia x Zs (U = I x R)
Bij een gelijkblijvende spanning (400/230 Vac) speelt de aardcircuitimpedantie (Zs) in het foutstroomcircuit een grote rol bij de hoogte van de stroom. Namelijk een lage Zs zorgt voor een hoge stroom. Een hoge Zs zorgt voor een lagere stroom.
Is het toestel niet geaard, dan is de Zs hoger dan wanneer het toestel wel geaard is. Door de verbinding tussen de behuizing van een toestel en de voedingsbron(beschermingsleiding) zal de Zs laag zijn en daardoor zal er een hoge stroom lopen.
Onderbouwing van het antwoord
Dat antwoord is te ontlenen aan bepaling 521.5.2 van NEN 1010. In bepaling 521.5.2 staat namelijk het volgende: “Eenaderige kabels gearmeerd met staaldraad of staalband mogen niet worden gebruikt voor AC-stroomketens.”
NEN 1010 is hier dus heel duidelijk. Singles met een stalen afscherming is simpelweg niet toegestaan in AC-stroomketens.
Ook de opmerking onder de bepaling onderstreept dit nog eens. Die luidt namelijk: “De armering van staaldraad of staalband van een eenaderige kabel wordt beschouwd als een ferromagnetisch omhulsel. Voor eenaderige gearmeerde kabels is het gebruik van aluminium armering aanbevolen.”
Onderbouwing van het antwoord
Dat antwoord is te ontlenen aan rubriek 524.2 van NEN 1010.
In deze rubriek vind je eisen voor de kerndoorsnede van de nulleiding. In de Feit of Fabel werd gesteld dat het niet meer is toegelaten om de nul te reduceren in een driefasegroep. Dit is echter nog steeds toegestaan maar, net als eerder, onder bepaalde omstandigheden.
Die omstandigheden vind je in bepaling 524.2.3 waarin staat:
524.2.3 In meerfaseketens waarin elke fase een kerndoorsnede heeft van meer dan 16 mm² bij koper of 25 mm² bij aluminium, mag de kerndoorsnede van de nulleiding kleiner zijn dan die van de fasen, mits gelijktijdig aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
OPMERKING Meestal bedraagt de gereduceerde kerndoorsnede van de nulleiding niet minder dan 50 % van de kerndoorsnede van de faseleidingen.
Kortom: onder deze voorwaarden mag (nog steeds) een nul met een gereduceerde kerndoorsnede worden toegepast. De stelling is daarom een fabel.
Onderbouwing van het antwoord
Dat antwoord is te ontlenen aan bepaling 524.1 van NEN 1010. Hierin staat tabel 52.2. Deze tabel is hierna overgenomen:
De minimale kerndoorsnede ontlenen we aan de eis die geldt voor vaste installaties > kabels en geïsoleerde geleiders > vermogensketens > koper. Daar blijkt een waarde van ten minste 1,5 mm² bij te horen.
Gezien deze uitleg is het verbazingwekkend dat ruim 40% van de deelnemers het verkeerde antwoord hebben gegeven. Dat komt wellicht door de Nederlandse opmerking onder de tabel die mogelijk voor wat verwarring zorgt. Hier staat:
n Om overbelasting te voorkomen moet voor de voeding van contactdozen voor algemeen gebruik in tot bewoning bestemde gebouwen, woonschepen, logiesverblijven en keukens bij toepassing van installatiedraad in buis, aangebracht volgens basisinstallatiemethode A1 of B1 volgens tabel 52.A.3 installatiedraad worden toegepast met een kerndoorsnede van ten minste 2,5 mm2.
Dit stukje tekst gaat echter niet over contactdozen die worden gevoed met kabel maar met draad in buis. Bovendien is dit deel van de bepaling alleen van toepassing op tot bewoning bestemde gebouwen.