ANTWOORD:
Het juiste antwoord is fabel.
Dat antwoord is te ontlenen aan bepaling 521.9.1 van NEN 1010:2020+C1:2024.
Onderbouwing van het antwoord:
In die bepaling staat dat een buigzame leiding mag worden gebruikt voor vaste aanleg als wordt voldaan aan NEN 1010.
De conclusie is dat een buigzame leiding, onder voorwaarden, mag worden gebruikt voor vaste aanleg. Daarmee is de stelling een fabel.
ANTWOORD:
Het juiste antwoord is feit.
Dat antwoord is te ontlenen aan hoofdstuk 54 van NEN 1010:2020+C1:2024.
Onderbouwing van het antwoord
Hoofdstuk 54 is onderverdeeld in een aantal rubrieken. Voor het beoordelen van de stelling zijn de volgende rubrieken van belang:
542: aardingsvoorzieningen
543: beschermingsleidingen
Een aardingsvoorziening is een voorziening die bedoeld is om een verbinding naar aarde tot stand te brengen en bestaat uit drie onderdelen: een aardelektrode (542.2), een aardleiding (542.3) en een hoofdaardrail of -klem (542.4).
De voorwaarden die gelden voor een aardleiding zijn te vinden in 542.3 en die van een beschermingsleiding in rubriek 543.
In 543.3.3 staat dat er in een beschermingsleiding geen scheider mag zijn opgenomen. Subrubriek 542.3 kent die beperking niet.
De conclusie is dat er in een beschermingsleiding geen scheider mag zitten, en in een aardleiding wel. Daarmee is de stelling een feit.
* Gegeven:
Geaarde contactdozen met een spanning van 230 Vac die zijn bedoeld voor algemeen gebruik door leken, moeten volgens 1010:2020+C1:2024 aanvullend worden beschermd door een toestel voor aardlekbeveiling met een toegekende aanspreekstroom van ten hoogste 30mA.
ANTWOORD:
Het juiste antwoord is fabel.
Onderbouwing van het antwoord
Dat antwoord is te ontlenen aan bepaling 433.1 van NEN 1010:2020+C1:2024.
Hierin staat:
“De functionele karakteristieken van beveiligingstoestellen die een leiding tegen overbelastingsstroom beschermen, moeten aan de volgende twee voorwaarden voldoen:
IB ≤ In ≤ IZ (43.1)
Uit dit deel van de bepaling blijkt dat de keuze van de kerndoorsnede van de leiding afhangt van de continue hoogste toelaatbare stroom ervan (IZ) die op zijn beurt weer afhangt van de toegekende stroom van het beveiligingstoestel (In). Het gaat bij gebruik van smeltpatronen dus niet om de patroonhouder maar om de smeltpatroon zelf. In de stelling gaat het daarbij om de mespatronen van 125 A.
De kerndoorsnede moet dus gebaseerd worden op de beveiligingstoestellen. In het geval van de stelling hebben die een waarde van 125 A. Daarmee is de stelling een fabel.
ANTWOORD:
Het juiste antwoord is feit.
Onderbouwing van het antwoord
Dat antwoord is te ontlenen aan bepaling 6.4.2.1 van NEN 1010:2020+C1:2024.
Hierin staat:
“Visuele inspectie moet voorafgaan aan metingen en beproevingen en moet in het algemeen worden uitgevoerd wanneer de installatie nog spanningsloos is.”
Aangezien de termen ‘normaalgesproken’ en ‘in het algemeen’ in dit verband moeten worden gezien als synoniemen, betekent dit dat een visuele inspectie van een nieuwe installatie normaalgesproken spanningsloos moet worden uitgevoerd. Daarmee is de stelling een feit.
ANTWOORD:
Het juiste antwoord is feit.
Onderbouwing van het antwoord
Dat antwoord is te ontlenen aan deel 0: het voorwoord en introductie van NEN 1010:2020+C1:2024.
Hierin staat:
“Om de eisen voor laagspanningsinstallaties toegankelijker te maken heeft NEC 64 een nieuwe norm
ontwikkeld: NEN 4010. Deze norm behandelt dezelfde onderwerpen als NEN 1010 (uitgangspunten en kenmerken, ontwerpeisen, eisen aan keuze en installatie van elektrisch materieel en inspectie).
NEN 4010 is van toepassing op de meest voorkomende typen elektrische installaties. Een aantal specialistische onderwerpen is daarom niet opgenomen. Verder zijn de onderwerpen in NEN 4010 iets anders gerangschikt en geformuleerd voor een betere leesbaarheid.”
NEN 4010 is dus een meer leesbare norm met dezelfde onderwerpen als NEN 1010 voor de meest voorkomende installaties. Met NEN 4010 kunnen installaties voor woningbouw, utiliteit en industrie worden ontworpen.
In het voorwoord van NEN 4010:2020 staat het nog iets duidelijker. Daar staat onder andere:
“Met NEN 4010 voldoet de installateur aan de hierboven genoemde editie van NEN 1010 en aan de elektrotechnische veiligheidseisen in de wet- en regelgeving. Voor onderwerpen die buiten het toepassingsgebied van NEN 4010 vallen, moet NEN 1010 worden gebruikt.”
De stelling kan dus zowel met NEN 1010 als met NEN 4010 onderbouwd worden: Als een elektrische installatie wordt ontworpen en aangelegd volgens NEN 4010:2020, voldoet die installatie ook aan NEN 1010:2020.
Daarmee is de stelling een feit.
ANTWOORD:
Het juiste antwoord is feit.
Onderbouwing van het antwoord
Dat antwoord is te ontlenen aan bepaling 134.2 van NEN 1010:2020.
In die bepaling staat: “Na eerste installatie en na elke [nlb>[niet overgenomen]<nlb] wijziging moeten de elektrische installaties [nlb>of gewijzigde delen ervan<nlb] zijn geïnspecteerd voordat deze in bedrijf worden gesteld, om vast te stellen of de werkzaamheden naar behoren zijn uitgevoerd in overeenstemming met deze norm.”
Deze bepaling is iets gewijzigd ten opzichte van de vorige editie van NEN 1010. In NEN 1010:2015 stond dat er een inspectie moest worden uitgevoerd ‘na elke belangrijke wijziging’. Omdat de uitdrukking ‘belangrijke wijziging’ zeer verschillende geïnterpreteerd kan worden, heeft de normcommissie besloten om in de nieuwe NEN 1010 te regelen dat na elke wijziging van de installatie een inspectie moet worden uitgevoerd.
Omdat de beoordeling van de stelling moest worden gedaan aan de hand van NEN 1010:2020, is de conclusie dat na elke wijziging van de installatie moet worden geïnspecteerd. Daarmee is de stelling een feit.
ANTWOORD:
Het juiste antwoord is fabel.
Onderbouwing van het antwoord
Dat antwoord is onder meer te ontlenen aan bepaling 434.5.2 van NEN 1010:2020. In die bepaling staat:
Bij kabels en geïsoleerde geleiders moeten alle stromen die worden veroorzaakt door een kortsluiting, ongeacht waar deze kortsluiting in de stroomketen optreedt, worden onderbroken voordat de isolatie van de leidingen de hoogste toelaatbare temperatuur heeft bereikt.
(…).
In de tabel die bij deze bepaling hoort staat dat een YMvK-kabel (een kabel met XLPE-isolatie), tijdens een kortsluiting een eindtemperatuur mag bereiken van 250 °C (zie tabel 43.1). De beveiligingstoestellen tegen overstroom in de stroomketen met een defect, zorgen ervoor dat deze eindtemperatuur niet wordt overschreden.
Tijdens normaal bedrijf loopt er uiteraard geen overstroom, dus ook geen kortsluiting. In dat geval mag de geleidertemperatuur niet hoger worden dan 90 °C. Dat is te vinden in tabel 52.1 (zie bepaling 523.1).
Samengevat met de geleidertemperatuur onder bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan 90 °C en tijdens een kortsluiting niet hoger zijn dan 250 °C.
Omdat de stelling was dat de geleidertemperatuur niet hoger mag zijn dan 90 °C, is de stelling een fabel.